‘Absurdisme moet weer terug naar de burger’
De voorzitter van Stichting Absurd Nederland kan er niet duidelijk genoeg over zijn. Als het aan hem ligt wordt het absurdisme ‘weer van ons allemaal’, zegt hij in wat zijn eerste grote interview in zeven jaar tijd is. In de zestien jaar dat Stichting Absurd Nederland bestaat heeft hij de nodige klappen van de molen gekregen. Hij kijkt terug en constateert: ‘Ik heb niets fout gedaan.’
van de redactie
Tergend langzaam drukt de voorzitter een sigaret uit in de speciaal voor de gelegenheid door hem gekleide asbak. ‘We zijn klein begonnen, moet je bedenken. Met een hele kleine stichting en weinig absurdisme. Het is dan ook een verdienste geweest van het hele team dat in de jaren negentig dat absurdisme zo’n enorme vlucht heeft genomen en het nu weer op de agenda staat.’
De voorzitter plaatst het absurdisme in een historische context, de historische context in een perspex kastje en het perspex kastje wordt in de lade van een oud bureau opgeborgen: ‘Zo, hier blijven we dus voorlopig van af. Volgende vraag… je had wat meegenomen zag ik.’ Maar we hebben niets meegenomen en duiden de opmerking van de voorzitter als een, door paniek ingegeven, aforisme.
Waarom staat de microfoon zo schel? ‘Staat ie schel?’ vraagt de voorzitter en begint aan de knopjes op de soundmixer te draaien waar hij de microfoon op heeft aangesloten waardoor hij de vragen beantwoordt. Aan de andere kant van het mengpaneel staat een lesley-box die hard ronddraait en met een doplereffect de serieus bedoelde antwoorden van de voorzitter mysterieus en psychedelisch de ruimte in draait.
Na enkele minuten keert de voorzitter terug, hij heeft een korte pofbroek aangetrokken en zijn gezicht zwart geschminkt. Met kracht werpt hij een hand vol pepernoten naar de fotograaf en zegt toe de schade aan de camera te zullen betalen. Dan verdwijnt hij weer, ‘Sinterklaas, Sinterklaas’ roepende. Als hij terugkeert, in zijn gewone tenue gaat hij weer in de stoel zitten en kijkt hij ons gebiologeerd aan, duidelijk wachtend op een reactie. Als deze uitblijft geeft hij er zelf een: ‘Gekkigheid natuurlijk.’
Hoe is het absurdisme eraan toe heden ten dage? De voorzitter door de microfoon: ‘Ja, ja… We zitten denk ik in een overgangsperiode, althans jullie zitten in een overgangsperiode, ik heb nergens last van. Jullie weten dat absurdisme geen middel is maar een oplossing, alleen weten jullie niet of jullie wel op de juiste weg zijn. Maar dat geldt ook voor ons.’ Een hoge pieptoon knalt door de speakers, omdat de voorzitter loopt te kutten met de microfoon. ‘Als dit vervelend is moet je het maar zeggen.’ Het is vervelend. ‘Dat leek mij ook.’
U zegt absurdisme is geen middel maar een oplossing. Wat bedoelt u daarmee? ‘Absurdisme is geen middel. Daarmee bedoel ik, je kunt er niks mee. De gootsteen wordt niet schoon door absurdisme te gebruiken. Dat bedoel ik met middel: een ontstoppingsmiddel. Denk aan Fifax, aan soda, denk aan Calgon. Het is veel meer een oplossing en dan bedoel ik een oplossing in water, bijvoorbeeld, soda, toch soda. Bij een gootsteen is de oplossing juist wel het middel en DAAROM is het geen goede vergelijking. En het absurdisme vaart wel bij slechte vergelijkingen.’
U had het in eerdere interviews steeds over ‘veel geld verdienen met absurdisme’. U dacht aan 5 miljoen per jaar alleen voor uzelf. De anderen zouden dan het nakijken hebben. De voorzitter: ‘Die vijf miljoen was gebaseerd op cijfers maar het gaat in deze business natuurlijk altijd om de praktijk. En in de praktijk blijkt die vijf miljoen gebaseerd te zijn op een afrondingsfoutje van de excelsheet waar ik mee werk. Kortom: het voorstel, daar sta ik nog helemaal achter maar in de praktijk heb ik gewoon een uitkering en probeer ik de schuldeisers een beetje tevreden te houden met die excelsheet.’
Hij loopt naar een dadelkwekerij en weer terug. Dan zegt hij: ‘Willen jullie zien hoe ik ben met dieren?’ We volgen hem naar het Absurd Nederland kippenhok. ‘Dit is misschien interessant, dan kun je zien hoe ik ben met dieren’. De voorzitter stapt het kippenhok in en begint wild met zijn armen om zich heen te slaan: ‘Dit doe ik om ze te kalmeren, maar je ziet: kippen zijn van nature erg paniekerig.’ Als hij alle kippen in een hoek heeft gedreven laat hij zich op de grond vallen. De kippen stuiven tegen het gaas op. De voorzitter staat op, klopt zijn kleren af: ‘Laten we hier maar weggaan.’
De voorzitter wenkt dat we mee moeten lopen naar de gang. Hij wijst op de kapstok waar onze jassen hangen.
| |
|